|
De vrienden die ik niet kan vergeten weten dat ik niet altijd tijd voor ze heb. Of ze misschien juist wel wíl vergeten. Ze komen daarom soms op de vreemdste manieren om aandacht trekken. Mijn aandacht. Af en toe krijg ik een mailtje van iemand die me zegt: 'Weet je het al? Die en die is dood!' Of soms rinkelt de telefoon en hoor ik iets dergelijks. Heel af en toe bezoeken vrienden mij in mijn dromen. Wanneer ik wakker wordt denk ik aan ze, maar weet niet altijd of ze nog leven of niet. Op sommige vrienden wacht ik nog. Ze zijn waarschijnlijk dood en ik wacht op de nacht dat ze in een droom verschijnen. Of dat ze spoken in mijn huis. Jaren geleden was ik in een hotel aan het strand in Borneo. Vlakbij was de film Farewell to the King met Nick Nolte opgenomen en de lokatie was geweldig. Op een markt kocht ik bij een oude Chinees een inheems Iban-amulet. De man waarschuwde me nog. 's Nachts werd ik opeens wakker en voelde hoe iets naar me keek. Ik bewoog niet en stopte met ademen. Het duurde lang en ik wist dat iets in mijn badkamer was. Na lang te hebben gewacht knipte ik het licht aan en keek. Niets! Terug bij mijn bed zag ik hoe het bed kletsnat was van het zweet. Van een droom herinnerde ik me niets, maar ik moet toch in mijn onbewuste iets of iemand zijn tegengekomen. De volgende morgen liep ik door een parkje naar de eetzaal en kwam een paar mannen tegen die aan het werk waren. Ik vroeg ze of er geesten zaten. Ze keken onwennig en vroegen zich af of de lelijke westerling ze in de maling nam. Maar toen ik serieus leek gaven ze het toe. Natuurlijk zaten hier geesten. Het is dus helemaal niet uitgesloten dat zo af en toe een geest, een verloren ziel wellicht, een in de steek gelatene, een oude vriend, mij bezoekt.
Ik zat te lezen in het boek Pity the Nation van Robert Fisk. Wie echt wil lezen wat er in Libanon gebeurde en gebéurt, moet dit boek lezen. Fisk woont in Libanon en is wel enigszins beïnvloed door zijn omgeving. Zo lijkt hij niet altijd even pro-Israel. Een Stockholm-syndroom wellicht? Maar verder staat er toch veel over de geschiedenis van Libanon in dit boek. Bijna alles. En de schrijfstijl is dramatisch. Lees het en je bent in Libanon. En zo las ik dus dat boek en toen ineens rolde een zweetdruppel over mijn rug en ik wist dat een vriend er was en naar me keek en ik schrok, want hij was dood. Op pagina 572 stond het geschreven: 'Haidar Dayekh the leader of the 'Forces of Kerbala' resigned from the militia. He did not want to die. Too late. A few days later, outside his home, Dayekh was shot in the face. He died instantly.' BLAMMMMM!
Met een klap sloeg ik het boek dicht. Alles kwam terug. Haidar was een vriend. Jaren had ik hem niet gezien. Maar hij riep me. 'Vergeet me niet!' Nooit eerder was hij langsgeweest. Onterecht. De man had me veel geleerd over Libanon en over de Islam. Hij verdiende het dat ik aan hem dacht. Mijn gedachten sprongen terug.
Het einde van de winter van 1981. Ik zat op een stoel boven aan de trap van het plaatselijke militiehoofdkwartier van Bint-Ibeil. Mijn voeten op de reling van het ijzeren hekwerkje op het kleine bordes voor de deur. Met een sigaret tussen de lippen keek ik naar de straat onder mij.
Al een paar dagen bivakkeerde ik hier, nadat ik mij had aangemeld bij het Zuid-Libanese leger van majoor Haddad. Elke dag was zo'n beetje hetzelfde. In het gebouwtje waar het hoofdkwartier was gevestigd waren twee ruimtes, een ruimte waar een bureau stond met een stoel erachter en een kalender aan de wand. In de tweede ruimte lagen een paar matrassen op de grond. Hier sliep ik en in het kantoor zat ik de rest van de dag. Afwachten wat er gebeuren ging. Inmiddels had ik een Israelische legerbroek en een bijbehorend jasje gekregen. In de jaszak van mijn Nederlandse legerjack zat een defensieve handgranaat, die wanneer mijn jas open stond overal tegenaan sloeg. Na twee of drie dagen had ik ook nog een FN FAL met weggevijlde serienummers gekregen. Ik was nu klaar voor actie en wachtte af.
Elke dag liepen donkerharige mannen het kantoortje binnen waar ik zat. Shia-moslims die dienden in het Zuid-Libanese leger. Meestal van middelbare leeftijd. Wanneer ze binnenkwamen keken ze om zich heen en schudden de hand van elke aanwezige. Ik schudde zo heel wat handen op een dag. Het was maar heel zelden dat iemand een paar woorden Engels of Frans sprak. Niet dat de mannen helemaal niet spraken. Geenszins. Ik kreeg juist de indruk door hun lange verhalen en diepe zuchten, hun soms felle armgebaren, dat er iets te gebeuren stond. Maar uiteindelijk stonden die mannen altijd weer op en liepen na weer iedereen de hand te hebben geschud de deur uit.
Eén van de plaatselijke commandanten was een man genaamd Akel Hashem. Een lange magere man met een Israelische legerjas. Soms keek hij dreigend rond en ik vroeg me af wat zijn functie was. Af en toe stak hij wat bankbiljetten in mijn richting en zei in gebroken Frans dat ik kon gaan eten. Ik stak dan de straat over en haalde naast de kapperswinkel een sandwich of falafel.
Bint-Ibeil was een kleine stad, groot voor het arme zuiden van Libanon, met een paar winkels met ijzeren rolluiken, een kapperszaakje waar je je kon laten scheren, één of twee restaurantjes, een moskee. De oproepen vanuit deze moskee klonken me als muziek in de oren. Alsof ik in het Midden-Oosten was, in een Arabisch land. Verbaast was ik geweest om zoveel moslims te zien in de Security Zone, zoals het zuiden van Libanon ook wel werd genoemd. Maar al snel bleek dat in het zuiden van Libanon het juist de moslims waren die hier woonden. Het waren de armsten van de armsten. Shia-moslims. Hoe armer de mensen hier waren hoe vriendelijker en gastvrijer.
Zo bedroog de schijn. De Christelijke milities van Haddad waar ik me had aangemeld bleken grotendeels te bestaan uit moslims. Hadden wij bij UNIFIL altijd verhalen gehoord van de misdadigheid van Israel en zijn christelijke bondgenoten in het zuiden, nu bleek dat het juist de Shia-moslims waren die het felst tegen de PLO waren. En helemaal niet tegen Israel.
Een M113 ratelde door de straten van Bint-Ibeil en stopte voor het hoofdkwartier. De mannen in de pantserwagen waren jonger dan de mannen die ik tot nu toe had gezien. Luidruchtig stapten ze uit en liepen langs me het gebouwtje in. Op het dak van de M113 stond de loop van een .50 op de hemel gericht. Ik hoopte dat de mannen mij kwamen halen. Misschien eindelijk iets te doen. Actie, een patrouille, iets anders dan maar gewoon afwachten. Maar even later kwamen de mannen weer naar buiten en ratelde de M113 weg.
Een Israelische legerjeep stopte voor de zoveelste keer voor het gebouwtje. De vriendelijke kolonel Chaim, een korte man met brede schouders, liep de trap op en keek mij aan. "What is your story?", vroeg hij, me aankijkend. Ik haalde mijn schouders op. Kolonel Chaim had hier wel iets te vertellen. Hij liep waar hij wilde en op de gezichten van de mannen hier in het hoofdkwartier zag ik dat ze hem zagen als een leider. Kolonel Chaim had ik al eerder gezien, maar hij had nog niet veel aandacht voor mij gehad. Toen ik hem vertelde dat ik ooit bij UNIFIL had gediend begon hij te briesen. Uitgerekend vandaag was hij met zijn jeep op inspectie geweest op een weg in het grensgebied tussen de Security Zone en het mandaatgebied van UNIFIL. Hij kwam met zijn jeep plotseling bij een wegversperring van UN-voertuigen die hem niet wilden laten passeren. Razend was hij met zijn jeep omgekeerd en was teruggereden om een stuk verder opnieuw bij een wegversperring te komen. 'Gaan jullie die Palestijnen soms tegenhouden?', had hij geroepen. Urenlang had kolonel Chaim heen en weer gereden tussen de twee wegversperringen, totdat zonder duidelijke reden de voertuigen die de weg blokkeerden weg waren gereden en hij er door kon. 'Het was ze alleen maar om mij te doen!', riep hij. Ik haalde mijn schouders op. Wat wist ik ervan?
Een Camaro reed een paar maal door de straat en stopte toen voor de deur van het hoofdkwartier. Ik had hem al een paar maal zien rijden. Uit de auto kwam een blonde Libanees met een vriendelijk gezicht die naar boven keek. De man was misschien een jaar of 30-35 en zag er heel westers uit. Hij riep iets en toen ik geen antwoord gaf kwam hij naar boven het trapje op. In het kantoortje sprak hij met Akel Hashem en kolonel Chaim die met hem spraken alsof ze hem al jaren kenden.
Even later kwam de blonde Libanees naar me toe en stelde zich voor. 'Abu Hassan! Jij gaat met mij mee!' Vanuit het kantoortje zag ik Akel Hashem kijken en gebaren dat het goed was. Ik liep naar de Camaro en stapte in. De man sprak goed Engels en vroeg waar ik vandaan kwam. Eindelijk een Libanees die westers is, dacht ik. Maar schijn bedriegt.
Bij het huis van Abu Hassan aangekomen parkeerde hij zijn Camaro en liepen wij de trap op naar zijn huis. Overal hingen portretten van de Shia-geestelijke Imam Moussa Sadr en Koran-spreuken aan de muur. Abu Hassan bleek een zeer vrome moslim, maar ook iemand die heel westers dacht. Hij sprak Engels, had in Duitsland gewoond, kleedde zich westers en zag er met zijn blonde haar Europees uit.
In de maanden die volgden zou ik bijna dagelijks met Abu Hassan op pad gaan. Ik kreeg van hem een Kalashnikov en was eigenlijk een soort body-guard. Abu Hassan heette eigenlijk Haydar Dayekh en was afkomstig uit het Zuid-Libanese dorp Jowaya. Hier had hij het aan de stok gekregen met de Palestijnen die het dorp hadden bezet en was tijdens een schermutseling in zijn been geschoten. Hij woonde nu in Bint-Ibeil met zijn vrouw en zoontje en neefje. Omdat Abu Hassan een van de leiders was van de Amal-militie, nam hij een vooraanstaande positie in.
De Amal-strijdgroep (Amal betekent hoop) bestond uit militante Shia-moslims, die fel gekant waren tegen de Palestijnen. De Palestijnen waren geen Libanezen, maar hadden wel jarenlang de dienst uitgemaakt in Zuid-Libanon. De Amal-strijders vormden een eigen militie om de belangen van de Shia-moslims in het zuiden te versterken ten opzichte van de Soeni-moslims in het noorden. Ze kregen in die begindagen wapens en militaire opleiding van de Palestijnen. Eigenlijk wilde de nationalistische Amal ook van de Palestijnen in Zuid-Libanon af, maar ze waren niet opgewassen tegen de sterke PLO. Na de Israelische inval van 1978 waren de Palestijnen uit het uiterste zuiden van Libanon verdreven en sloot een aantal Shia-moslims zich aan bij de milities van Majoor Haddad. De Amal-strijders die zich nog in gebied bevonden waar de PLO de baas was, werden stiekem door Israel van wapens voorzien. De vijand van de vijand van Israel. Het doel was de PLO geheel te verdrijven. Later werd de situatie nog gecompliceerder door de opkomst van de Hezbollah. Deze strijdgroep bestond ook uit Shia-moslims, maar was radicaal tegen de aanwezigheid van Israel in Libanon. Vele Amal-strijders zouden uiteindelijk overgaan naar Hezbollah. Het bolwerk van de Shia's in Zuid-Libanon was het dorp Bint-Ibeil (spreek uit bintisjbel).
Als een soort bewaker kwam ik in het huis van Abu Hassan en kreeg daar een eigen kamer. Tot groot vermaak van Abu Hassan en zijn vrouw Amal, doopte ik zijn hond en kat om tot Yasser en Habash (twee Palestijnse leiders).
Regelmatig kreeg Abu Hassan hoge Israelische militairen over de vloer. Zij spraken ofwel zelf Arabisch of zij hadden een tolk bij zich. Later hoorde ik dat in een aantal gevallen leden van de Knesset (het Israelische parlement) bij deze besprekingen aanwezig waren. Omdat ik nooit een flauw benul had waar het over ging, mocht ik er meestal bij blijven zitten. De Israeli's zullen waarschijnlijk invloed binnen Amal gehad willen hebben om de Palestijnen onder druk te houden. Ook zullen inlichtingen een rol hebben gespeeld en in het mogelijke geval van een militaire inval, waren de Amal-strijders natuurlijk ook handige hulptroepen. Wanneer de Israeli's zich ooit uit Libanon zouden terugtrekken, was het voor Israel natuurlijk voordelig om vrienden in het grensgebied te hebben.
In 1982 was Abu Hassan ook betrokken bij het smokkelen van wapens van Zuid-Libanon naar het Amal-gebied. De wapens waren afkomstig uit Israel.
Abu Hassan was enerzijds een zeer gelovig Shia-moslim. In zijn huis hingen ingelijste portretten van de Shia-geestelijke Imam Moussa Sadr. De foto's deden mij aan de Nederlandse Swiebertje denken. Abu Hassan vond dat wel grappig, maar vertelde mij over de dappere Imam die in Iran was geboren, enige tijd in Irak had gewoond (in de stad Najaf) en in 1978 op weg naar Libië was verdwenen en waarschijnlijk was vermoord door Ghadaffi. In 1975 had Imam Moussa Sadr de shi'itische beweging opgericht, waarvan Amal de militaire tak werd.
Anderzijds was Abu Hassan ook weer heel westers. Een keer dacht hij lang na en vroeg mij toen of ik gelovig was. 'Jaaah!', loog ik. 'Iemand die niet in een God gelooft is een hond', verklaarde Abu Hassan. Op mijn hoede voor de volgende vraag, deed ik net of ik diep nadacht toen hij vroeg hoeveel goden er waren. 'Nou', zei ik aarzelend om geen kwaad bloed te zetten, 'er zijn twee goden, een god van de christenen en een god van de moslims.' Geirriteerd keek Abu Hassan mij aan. 'Er is maar één God', zei hij toen. 'Alleen, elke godsdienst noemt hem anders. Jullie noemen hem God en wij noemen hem Allah.'
Abu Hassan had een Camaro gekocht, weliswaar tweedehands, maar toch een statussymbool. Er waren meer Libanezen, die als gastarbeider in een Europees land of in de Verenigde Staten werkten en dan bij terugkeer een mooie tweedehands auto kochten. Het was dan natuurlijk wel zaak in die auto gezien te worden. De hele dag reed Abu Hassan met zijn auto rond. En elke dag vroeg hij of ik meeging. We gingen dan rondrijden of mensen bezoeken. Overal werd je gastvrij onthaald, maar de mensen spraken meestal geen Engels, dus veel conversatie was niet mogelijk. Op een dag liepen we naar de Camaro, die op een parkeerplaatsje voor het hek van het huis van Abu Hassan stond. Vlak naast de auto, op het grind, lag een kleine transistorradio. Abu Hassan pakte het ding op en gaf het in bewaring bij een oude man die in een soort garagebox, vlakbij de auto aan het werk was.
Enige dagen later vroeg ik aan Abu Hassan of al bekend was van wie de radio was. Dat bracht hem op een idee. De radio was hij al lang weer vergeten. We gingen naar de oude Libanees, maar er was nog niemand voor de radio gekomen. Abu Hassan nam het ding mee naar huis en zette het ergens in de keuken op een kastje.
Die nacht had ik weer patrouilledienst en was dus de hele nacht weg.
Toen ik de volgende ochtend vroeg terugkwam, ging er net een stel Israeli's weg. Bij binnenkomst in het huis bleek een aantal ruiten van de keuken gebroken. Wat was er gebeurd? Die ochtend vond de vrouw van Abu Hassan de transistorradio. Ze was nieuwsgierig en zette hem aan. Maar het ding deed niets. Ze rommelde nog wat aan de knopjes, maar er kwam geen geluid uit. Door een plotselinge ingeving getroffen, wierp ze de radio door de geopende keukendeur naar buiten. De radio ontplofte in de lucht. Door de luchtdruk braken een paar ruiten. Abu Hassan vroeg de Israeli's een paar mensen te sturen en die konden alleen maar vaststellen wat toch iedereen al wist: een bom! De schrik zat er goed in, maar gelukkig was er niemand gewond of erger. Verbaasd liep ik door de keukendeur naar buiten. Tegen de buitenmuur plakten stukjes lood uit de radiobom. We hadden hier wel heel erg veel geluk gehad. We zijn nog een tijd op onderzoek uitgeweest. Mensen ondervragen. De oude Libanees in de garagebox. Maar nooit is duidelijk geworden hoe het precies zat. Wel dat Abu Hassan vijanden had en dat het gevaar loerde.
Vijanden had bijna elke Libanees. Het was ook burgeroorlog, dus ja, wat verwacht je dan? Op sommige fora op het Internet lees ik hoe Haidar Dayekh wordt uitgemaakt voor agent van de Israeli's. Een verrader dus. Maar gelukkig weet ik beter. De wanhoop die Libanezen in de armen van Hezbollah drijft vertroebelt misschien hún visie, maar niet de mijne. Haidar was een dapper man in een land in oorlog die keuzes durfde te maken. Hij vluchtte niet, maar bleef. Tot het eind. Haidar Dayekh vertelde mij bijna elke dag opnieuw over zijn enorme geloof en zijn liefde voor Libanon. Hoe belangrijk het voor hem was om juist Shia te zijn en geen Soeni. Zijn bewondering voor de dappere Imam Moussa Sadr. Hoe de Islam voor iedereen is en niet voor een élite. Haidar werd als een zendeling, een overtuiger. Liepen in Nederland de kerken leeg door schijnheiligheid, deze man zou toch met gemak een moskee vol krijgen? Het is dankzij hem dat ik begrip kreeg voor de moslim-kant van Libanon. De dood van die man is een verlies voor een land dat wijze mannen nodig heeft. Mannen die niet alleen vechten voor hun land, maar het ook liefhebben.
Maar los van alles was Abu Hassan een vriend. Een vriend uit Libanon. Een Libanese krijger. Een wapenbroeder. Een bevriende moslim, net als zoveel jaren later die dappere boerenzonen in de loopgraven van Oost-Slavonië. Haidar Dayekh, ik herinner me al die lange gesprekken op het balkon van je huis in de avond met op de achtergrond dat geweldige landschap van Libanon en die schitterende lucht en soms verre geweerschoten. Ik herinner me de muren van je huis met spreuken uit de Koran en die foto's van Imam Moussa Sadr. Ik herinner me het drinken van thee de hele godganselijke dag en het rondrijden in je Camaro en het bezoeken van al die mensen in Bint-Ibeil en daaromheen en het respect dat ik zag in de ogen van die mensen en je interesse voor die Libanezen die oorlog voerden in hun eigen land vanuit hun eigen huis. Haidar Dayekh, ik herinner me hoe we met je vrouw op de grond zaten en aten, het platte Libanese brood. We maakten samen je nieuwe huis geschikt om er je Camaro te parkeren en te wonen en wanneer we iets hoorden 's nachts stond ik met de Kalashnikov bij het raam en ik weet nog hoe kwaad ik was toen je zonder mij in de nacht was weggeslopen om in een door Palestijnen bezet dorp te vechten en mij niet had meegenomen omdat je wist wat ze met gevangenen doen. Haidar Dayekh, ik had graag gehad dat je nog veel ouder was geworden dan dit en dan was ik misschien nog een keer teruggekomen naar Libanon om je op te zoeken maar nu waarom terug want hoeveel vrienden waren al dood na jou en Akel Hashem en al die anderen wie leeft daar eigenlijk nog? Abu Hassan, je mag altijd terug komen om te spoken in mijn dromen en in mijn huis want er is voor échte vrienden altijd plaats. En ook Max groet je want vergeten ben je niet! Zolang je over dode mensen kunt dromen zijn ze nog een beetje hier.
|