DE GEHEIM AGENTEN

 

Zoals ook in veel spannende jongensboeken het geval is hebben geheim agenten een rol gespeeld in mijn vroegere avonturen. Geheim agenten en spionnen, infiltranten en informanten.

Het begon al jaren geleden, in 1981 toen ik diende in het Zuidlibanese leger van majoor Sa'ad Haddad. Mijn Libanese wapenbroeders maakten zich vaak vrolijk over een kalende man van middelbare leeftijd. De man lachte meestal verlegen om de onbescheiden grappen van de miliciens. James Bond noemden ze hem. Het bleek dat de Libanees als agent van de Israelische Shin Bet actief was geweest in het gebied dat door de PLO werd gecontroleerd. Als jonge jongen van 21 maakte het indruk een echte geheim agent tegen te komen. Hoewel geheim?

In 1983, toen ik met een stel Duitse huurlingen bezig was met het plannen van een inval in Suriname om Desi Bouterse te verdrijven dook het fenomeen geheim agent opnieuw op. Bij de Surinamers die met ons samenwerkten waren er steeds geruchten over infiltraties door de BVD, de toenmalige Binnenlandse Veiligheids Dienst. Of het allemaal waar was kwamen we nooit met zekerheid te weten, maar er waren mensen die bang werden en afhaakten. Zoals onze Hindoestaanse huisbaas bijvoorbeeld die door de BVD was gewaarschuwd voor de levensgevaarlijke Duitse huurlingen in zijn huis in de Amsterdamse Swammerdamstraat. We zouden opnieuw moeten verhuizen en waren amper in een fraaie bovenwoning vlakbij de Amstel ingericht of er waren al twee verdachte controleurs van het kijk-en luistergeld die per sé de woning in wilden. Binnengekomen hadden ze maar bar weinig interesse voor de televisie, maar keken met grote belangstelling naar de Duitse ex-legionairs en para's die zwijgend aan tafel zaten en de heren aankeken. Op de vraag van de 'controleurs' wat de heren hier deden kwam geen antwoord, zelfs niet in het Duits, en dus verdwenen de heren weer zoals zij gekomen waren, zij het in omgekeerde richting.

Maar dit alles was natuurlijk weinig spectaculair en had geen grote indruk gemaakt op de argeloze jonge lezer van een spannend jongensboek. Maar ik ben natuurlijk ook nog niet klaar met vertellen.

Toen de vele strijdplannen van het Surinaamse verzet in Amsterdam allemaal eindigden waar ze waren begonnen, dat wil zeggen in Amsterdam, werd het tijd voor iets anders. En het was hier dat een geheim agent uit het niets leek te verschijnen om dan in godsnaam zelf maar het heft in handen te nemen. Het heft én het geld.

De geheim agent was Peter van Haperen, een naam die niet erg serieus klonk, maar het wel was. Op een vergadering die ik samen met de Duitse huursoldaat Karl had met André Haakmat, de Surinaamse ex-minister en advocaat, was Van Haperen met de Surinamer Hans Chelius opgedaagd. Opgedaagd en zeer nadrukkelijk aanwezig. Wat besproken moest worden zou in het gezelschap zijn van een fles whisky en niet in dat van ons. Karl, een grote vierkante ex-legionair, en ik werden weggestuurd door Peter want we waren te laag in rang. Peter was namelijk naar eigen zeggen kapitein van het Korps Commando Troepen al had hij zijn groene baret niet op. En wij waren maar simpele korporaals. Al snel bleek dat van ons allen Peter van Haperen tenminste een echte huurling was, want na een inzameling door het Surinaamse verzet ging de pseudo-kapitein er met zo'n 300.000 gulden vandoor. Geld dat was ingezameld door Surinaamse burgers met het doel een kleine strijdmacht te trainen die dan later met kapitein Peter Suriname zou moeten ontdoen van zijn dictator. Van Haperen zou nog wel een training verzorgen en hij werd ook nog gesignaleerd in de Johan Willem Friso-kazerne in Assen, maar dat was alleen om wat uitrustingstukken op te halen bij de foerier. Het geld dat Van Haperen incasseerde om met zijn mannen te vertrekken verdween met de man zelf. En zou onvindbaar blijven. Ook van de plannen om met een door Van Haperen gekaapt vliegtuig naar Paramaribo te vliegen zou natuurlijk helemaal niets terechtkomen. En een andere groep die op weg wilde gaan naar Suriname blies de plannen af toen ze hoorden dat Van Haperen al binnen korte tijd op weg zou gaan. Van Haperen voorkwam dus een invasie en door met het geld te verdwijnen voorkwam hij de volgende ook. En legde het verzet van de Surinamers in Nederland vrijwel stil.

Jaren later zou Van Haperen nog door de TROS te kijk worden gezet als oplichter van overwinterende ouderen aan de Spaanse kusten en nog later kwam hij waarachtig nog Desi Bouterse te hulp als getuige in het proces van de Decembermoorden. Deze keer verdween Van Haperen opnieuw door een achterdeur, zij het minder vrijwillig dan de eerste keer. En waarschijnlijk met minder geld.

In Kroatië maakte ik in 1992 kennis met een jonge Belg. Marty Cappiau was de zoon van een Belg uit Brussel en een Britse vrouw die in Frankrijk woonde. Een deel van zijn opvoeding genoot hij in Groot-Brittannië en daar diende hij ook korte tijd bij de Royal Air Force. Later diende hij als dienstplichtig officier bij de Belgische Artillerie. Toen hij bij zijn moeder verbleef in Frankrijk kwam Marty in aanraking met een merkwaardige huisvriend. Het was de ex-priester, ex-legionair en toekomstig generaal Ante Roso. Roso had vijftien jaar in het Vreemdelingenlegioen gediend en had daarna al zijn geld gestoken in een plan om in Frans-Guyana goud te zoeken. Er was geen goud gevonden en het geld was zoek en dus was Roso nu driftig op zoek naar iets anders. De Kroatische Onafhankelijkheidsoorlog kwam als geroepen en Roso verdween met gezwinde spoed naar Zagreb om zijn diensten aan te bieden. Naar goed Joegoslavisch gebruik was hij bij het aanbieden van zijn CV weinig bescheiden en de toenmalige minister van defensie Gojko Susak geloofde hem op zijn woord toen hij vernam hoe Roso in het Legioen kapitein was geweest. Een specialist dus. Dat Roso niet hoger was gekomen dan sergent-chef zou niet deren, want Roso bleek inderdaad het militaire genie dat hij pretendeerde te zijn. Samen met Susak zelfs een gevaarlijk duo. Roso kreeg al snel volmacht tot het oprichten van een speciale eenheid die op zijn beurt volmacht zou krijgen voor bijzondere opdrachten en missies. De eenheid werd gelegerd in een voormalig instituut van de communistische partij in Kumrovec, de geboorteplaats van Josip Broz Tito, en werd min of meer op Franse leest geschoeid. Een eigen fonds zorgde voor de financiële middelen om geheel zelfstandig aankopen te doen en al spoedig stroomden recruten, huurlingen, oud-legionairs en wapenhandelaars toe. Het was hier dat Roso aan zijn jonge vriend Marty Cappiau dacht. De jongen was amper 21 jaar oud toen hij met zijn rode sportwagen met Belgisch kenteken Zagreb binnenscheurde, want bescheiden was hij, net als Roso, allerminst. Wat precies en exact de rol van Marty was werd niet voor iedereen duidelijk. Wel werd Marty al snel luitenant. Toen ik in het voorjaar van 1992 de kazerne van de speciale troepen binnenwandelde was Marty één van de eersten die ik tegenkwam. Het klikte en ik maakte een trainingsschema voor de recruten waar Marty aan meedeed als instructeur. Tijdens één van de trainingssessies stond ik bovenaan een helling en richtte mijn Kalashnikov op de recruten die moeizaam omhoog strompelden. Ik wilde iets roepen om ze aan te sporen toen enige schoten klonken. Marty die naast mij stond had zijn wapen geschouderd en vuurde naar beneden. Ik zag hoe kogels centimeters verwijderd insloegen naast het been van een verschrikte Canadese Kroaat die plotseling nieuwe energie vond en naar voren sprintte. De ogen van de Canadees lachtten niet, Marty wel.

Tijdens uitstapjes naar Zagreb was Marty nooit lang in ons gezelschap. Heel snel en trefzeker wist hij altijd wel een Kroatische schone te verschalken. Vriendinnen overal. Wanneer Marty ergens binnenkwam met zijn grote lach keken de meeste dames verlangend naar de deur terwijl de mannen mompelden. Marty schoot bij de vrouwen nooit mis.

Hoewel Marty in Hercegovina op zou duiken toen wij daar tegen de Serviërs vochten zou hij niet lang blijven, want Roso riep hem terug. Wat hij deed voor Roso was onduidelijk, maar Marty was duidelijk niet onbelangrijk. Toen ik al weer lang terug was in Nederland ontving ik nog eens een paar brieven waarin Marty schreef hoe hij inmiddels majoor was bij de artillerie van het Kroatische leger. Maar kort daarna zou het contact verloren gaan. Helaas, want Marty zou hele interessante dingen doen. Hij handelde in wapens met de Tsjetsjeense rebellen en hij dook op in Congo-Brazzaville als huurling en adviseur van de president. Ook zou hij in Kroatië betrokken raken bij moorden van de mafia of de geheime dienst. Want hoe dat precies zat in Kroatië was en is onzeker. En dat kan ook niet anders, want door de oorlog en het embargo ingesteld door de Verenigde Naties, waren internationale wapenhandelaren, huurlingen, politici, generaals en criminelen met elkaar in contact gekomen. Het kon niet anders. En zo zaten er in het hotel in Zagreb waar ik eens verbleef hele vreemde afgetrainde Amerikaanse mannen die zelfs de veteranen onder de buitenlandse huursoldaten afschrikten. Vreemde kerels die in hun hotelkamers speelden met merkwaardige wapens en in gesprekken wel heel erg goed op de hoogte bleken van guerilla-groepen elders op de planeet. Aan het front zagen we ze evenwel niet. De belangen en onderlinge contacten deden sommigen rillen, want wie had hier een 'license-to-kill'? En wie stond er op een lijstje?

In 2001 schoot Marty midden op de dag in het hartje van Zagreb de crimineel Slisko dood. Zomaar midden op straat. Even later werd hij zelf in het hoofd geschoten door de body-guard van Slisko en overleed enige dagen later in het ziekenhuis. Wie had opdracht gegeven voor de moord? Was het een afrekening of wist Slisko te veel? En wat wist Marty? Als ik terugdenk aan Marty zie ik zijn lachend gezicht. Hij zou niet ouder worden dan 31.

Had ik wel rekening gehouden met geheim agenten in oorlogsgebieden in Libanon, Suriname en Kroatië, in Nederland keek ik er toch wel van op. In 1995 begon ik te werken als portier in een Amsterdamse nachtclub en geloofde niet echt dat ik nog grote avonturen zou beleven. Tenminste niet als burger. Maar ik had het mis.

Op een avond wandelde een lekkere vrouw van middelbare leeftijd de animeerbar binnen waar ik voor de deur stond en vroeg naar werk. Even later stak ik mijn hoofd om de hoek en zag haar staan. Rond de veertig, maar wel twee lekkere borsten en een goeie kont. Ze zag me kijken en knipoogde. "Marion", klonk het even later. "Rob", zei ik, liegend over mijn naam, want je wist het nooit. Marion was Duitse met een Amerikaanse man, wat ik heel jammer vond toen ik het hoorde maar nog erger zou gaan vinden toen ik erachter kwam wie hij was. Michael Rody was Navy Seal geweest en Vietnam-veteraan. De eerste keer dat ik hem zag keek hij me doordringend aan en kneep hard in mijn hand. Een stevige handdruk. De man maakte indruk, dat was zeker, maar lang bleef hij nooit, want altijd was hij plotseling weer verdwenen. Marion kreeg van mijn bazin tijdelijke woonruimte boven de bar aangeboden en al snel bleek hoe zelfs Navy Seals niet altijd te vertrouwen waren. Rody kreeg spoedig een conflict met mijn werkgeefster en zeer goede vriendin en het duurde niet lang of de ene vernieling volgde de andere op. Kapotte ramen, bedreigingen, aanvallen met een mes, dreigen met een .357 magnum, telefoonterreur, een vernielde auto, het hield niet op. Op zich niet zo heel verdacht, maar het was het optreden van de politie dat uiteindelijk argwaan wekte. Als domme en loyale werknemer zou ik mijn bazin te hulp schieten en zo bevriend raken met haar dat zelfs vandaag deze liefde zijn sporen nog jammerlijk laat voelen. Maanden van speuren lieten in ieder geval geen twijfel bestaan over wat Rody in Amsterdam deed. Hij werkte namelijk voor de Amerikaanse DEA als informant en was op zoek naar informatie over drugshandelaren om die te verkopen aan zijn werkgever. Het zou anderhalf jaar duren voordat Rody opgepakt zou worden en opgesloten. In de tussentijd zou blijken hoe hij al eerder actief was in Amsterdam, bij een schietpartij op de Wallen betrokken was, in Denemarken actief was geweest, in Duitsland en ook weer in de VS. Blijken zou dat Rody eigenlijk gezocht werd in de Verenigde Staten en door Interpol als zeer gevaarlijk en onberekenbaar werd beschouwd. Rody zou later zelfs nog een boek schrijven over zijn avonturen. Een boek dat hij op naam zou zetten van zijn enige zoon Savoy, vlak voordat hijzelf stierf, 53 jaar oud.

Dus geheim agenten? Ik heb ze ontmoet en heb met ze te maken gehad. En waren dit de enigen die mijn pad kruisten?

Ik denk van niet.